TT Poëzie

Guus tafeltennist graag tegen Nanette,
een bijzonder attractieve brunette.
Maar haar vader zei: “Nee,
ik vind het maar niks, jullie twee,
gedraag je en leer eerst wat etiquette”.

 

Na een paar jaar ontdekte ik dat ik niet kon tafeltennissen.
Tot doorgaan was ik echter gedoemd,
want ik werd reeds zo vaak en zo uitvoerig geroemd.

 

Mijn tante in Achtersluispolder
oefent pingpong op haar zolder.
Haar smash is zó goed,
zij slaat – als het moet –
de bal van Goes tot Den Dolder.

 

Al meppen ze me urenlang in het rond,
rammen ze me nijdig tegen de grond,
ook al zit ik vol beluste deuken
en voel ik grijpgrage vingers jeuken,
ik geniet van elke klap, smash of knal.
Ik ben een masochistische pingpongbal.

 

Wil een dame tafeltennis leren
dan beter niet in strakke kleren,
want komt zij onverhoopt ten val,
op haar mollig geval,
dan zal zij zich lelijk bezeren.

 

Als je denkt, ik ben verslagen,
is de pingpongnederlaag een feit.
Als je weet, ik zal niet versagen,
win je op den duur de strijd.

 

Een tafeltennis-veterane in Dieren
wilde graag nog eens de zege vieren.
Haar dochter zei: “Mam,
het hek is toch niet van de dam?
Denk om je ouwe scharnieren…”

 

Als je jammert, ik ben zwakker
dan mijn grootste concurrent,
blijf je de eeuwige pingpong-stakker,
die je ongetwijfeld bent.

 

Een tafeltenniskampioen uit Japan
won tien gouden plakken, met veel elan.
Maar eigenlijk, zo bedacht hij zelf,
had hij er elf.
Want thuis zat hij er juist ónder.

 

Een tafeltennissende ober uit Almere
had permanent last van diskwalificeren.
Hij maakte fouten op rij
en wat de scheidsrechter ook zei,
hij bleef uit de hand serveren.

 

Gemik, gemaai, tikken, tokken,
helden op witte sokken.

Van hier naar daar en zowaar, hard en stoer:
over het net retour.

Backhand-flip, voorhand-flop,
een dip, het krijgen van klop.

Groene tafel, zuchten slaken,
punten krijgen, smashes maken.

Verbeten trek,
schuim op de bek.

Alles wringt en graait,
alles haant, zuigt en draait.

Het grillige, smekende ding,
pongt opspringend ping.

Slimheid telt, een soort macht,
behendigheid en kracht.

Dan rust het bat, gereinigd,
als vermoeide krijger, gepijnigd.

Mysterieus belijmd en gelakt,
bezweet, bepoederd en beplakt.

 

Na iedere tafeltennis-nederlaag
stel ik mij telkens weer de vraag:
Ligt het aan de vochtige zaal
of aan het slechte materiaal?
Is het toe te schrijven aan het net
of komt het door mijn bat?
Is het te wijten aan de tafelrand
of aan de nieuwe 11 punten stand?
Maar hoe het ook zij,
het ligt zeker en vast niet aan mij.